De solvabiliteit is de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen van jouw bedrijf en geeft dus weer in welke mate jouw bedrijf afhankelijk is van vreemd vermogen. Hoe hoger de solvabiliteit, hoe beter jouw bedrijf financieel tegen een stootje kan, omdat een groter deel van jouw bezettingen betaald zijn met eigen vermogen, waardoor je minder afhankelijk bent van jouw investeerders.
Een voldoende hoge solvabiliteit kan belangrijk zijn bij het aanvragen van nieuwe financiering, omdat dit voor de bank aantoont dat er een lager risico bestaat op wanbetaling van de schulden op lange termijn. Een bedrijf met een solvabiliteit van bijvoorbeeld 70% zal doorgaans makkelijker bijkomend krediet verkrijgen dan een bedrijf met een solvabiliteit van 30%, omdat de bank meer zekerheid heeft over de financiële stabiliteit van het bedrijf en de mogelijkheid tot terugbetaling.
De liquiditeit of het werkkapitaal vertelt in hoeverre je in staat bent om aan de kortlopende betaalverplichtingen (< 1 jaar) van jouw bedrijf te voldoen. De liquiditeit wordt hier berekend als de verhouding van de jaarlast op de gerealiseerde cashflow. Dit zegt dus hoeveel liquide middelen worden gebruikt om de jaarlast te betalen, of anders gezegd, hoeveel procent van het beschikbare geld dat jaar naar afbetalingen gaat.
De liquiditeit is de crisisbarometer bij uitstek. Bij onvoldoende liquiditeit volstaat de gegenereerde cashflow niet om aan de betaalverplichtingen op korte termijn te voldoen, waardoor reserves aangesproken moeten worden of bijkomende financieringen gezocht moeten worden.
De rendabiliteit is het rendement van het ingebracht kapitaal of een vergoeding voor het geïnvesteerd vermogen (de winst).
De rendabiliteit drukt het gerealiseerde bruto saldo (= het verschil van de opbrengsten en de variabele kosten) uit als percentage van het totale bedrijfsvermogen. Dit percentage zegt dus hoeveel euro elke 100 euro die in het bedrijf werd geïnvesteerd heeft opgeleverd. Dus hoe hoger dit getal, hoe groter de winst. Het belang van een goede rendabiliteit is dat het, samen met de solvabiliteit, de toegang tot extra financiering makkelijker maakt. Voor de bank staat een hogere rendabiliteit garant voor een hogere terugbetaalcapaciteit.
Het familiaal arbeidsinkomen (FAI) is een veel gebruikte inkomensindicator voor landbouwbedrijven en geeft weer in hoeverre een bedrijf volwaardig vergoed wordt voor de ingezette productiefactoren (grond, bedrijfskapitaal en arbeid). Het bestaat uit de totale opbrengsten vermindert met de totale (variabele en vaste) kosten, inclusief fictieve pacht en rente, d.w.z. vergoeding voor grond en bedrijfskapitaal. Het familiaal arbeidsinkomen is dus wat overblijft als verloning voor de arbeid van de bedrijfsleider en meewerkende gezinsleden. Om te kunnen vergelijken tussen verschillende bedrijven wordt deze meestal uitgedrukt per afgeleverd(e) vleesvarken of vleeskip, per dierplaats, per staloppervlakte of per familiale arbeidskracht.
De arbeidsproductiviteit wordt bepaald door te kijken naar het aantal voltijdse arbeidskrachten (zowel betaald als onbetaald) in verhouding met het gemiddeld aantal aanwezige dieren. Dit geeft dus aan hoeveel dieren verzorgd worden per arbeidskracht op een bedrijf.
Het AB Register werd in 2014 gelanceerd door Belpork en wordt op heden beheerd door een overkoepelende organisatie vanuit Belpork (varkenssector), Belplume (pluimveesector) en IKM Vlaanderen (melkveesector). Het doel van het AB Register is om het antibioticagebruik binnen de veehouderij in kaart te brengen, met het oog op een verantwoord en duurzaam antibioticabeleid. Alle varkenshouders die erkend zijn binnen het BePork-kwaliteitssysteem zijn via het lastenboek verplicht om het antibioticagebruik te laten registreren in het AB Register. Ook via het lastenboek van Belplume worden alle vleeskippenhouders verplicht het antibioticagebruik te laten registreren in het AB Register.
Het AB Register registreert en analyseert het antibioticagebruik op het bedrijf en levert een gepersonaliseerd bedrijfsrapport af, waarmee de veehouder zijn antibioticaverbruik kan opvolgen en vergelijken met andere bedrijven. Dit rapport geeft de veehouder en de bedrijfsdierenarts een goed inzicht in het antibioticagebruik en kan helpen om de knelpunten op bedrijfsniveau te identificeren. De nodige gegevens (aard en hoeveelheid antibiotica) worden geregistreerd door de “verschaffer” (bedrijfsdierenartsen, mengvoederfabrikanten of apothekers) en worden nagekeken door de veehouder.
Voor meer informatie over het AB Register:
Het AB Register (Antibiotica Register) is een online tool die het verbruik van antibiotica op een bedrijf registreert en weergeeft in periodieke overzichten, waarmee een veehouder zijn antibioticaverbruik kan opvolgen en vergelijken met andere bedrijven. Het AB Register maakt hiervoor gebruik van een kleurcode (groen-geel-rood) die is gebaseerd op de “BD100-waarde”, of anders gezegd “het aantal dagen op 100 dat een dier op een bedrijf behandeld wordt met antibiotica”. Deze waarde houdt rekening met het aantal dieren op het bedrijf en met het type antibioticum en laat toe om het antibioticagebruik te vergelijken tussen verschillende diercategorieën, bedrijven en periodes.
Bedrijven worden gebenchmarkt door hun gemiddelde BD100-waarde te vergelijken met ‘interval-grenswaarden’:
Meer informatie:
Als veehouder ben je verplicht om jaarlijks door de bedrijfsdierenarts een risico-enquête over de insleep van aangifteplichtige ziekten te laten uitvoeren (zie de omzendbrief voor varkens van het FAVV voor meer informatie). Deze enquête moet ingevuld worden via de module “Bioveiligheidsaudit” op het platform FarmFit van DGZ en ARSIA. Deze bioveiligheidsaudit is gebaseerd op de Biocheck van de UGent en wordt aangevuld met een aantal vragen over de wettelijke verplichtingen. Na het invullen van de enquête, wordt het resultaat automatisch doorgestuurd naar het FAVV. Aan de hand van het resultaat moet de bedrijfsdierenarts in samenspraak met de varkenshouder binnen 30 kalenderdagen een actieplan opstellen om de bioveiligheid op het bedrijf te optimaliseren. Ook voor pluimveehouders is het ten zeerste aanbevolen om na het invullen van deze enquête een actieplan op te stellen.
Bij de audit worden externe en interne bioveiligheid verder opgedeeld in verschillende onderdelen die apart geëvalueerd worden. Afhankelijk van de score op ieder onderdeel, kunnen specifieke maatregelen genomen worden om deze te verbeteren. Sommige maatregelen zijn ook wettelijk verplicht.
Voor vleesvarkens
o Aankoop van fokdieren, biggen en sperma
o Afvoer van dieren, mest en kadavers
o Voeder-, water- en gereedschapstoevoer
o Bezoekers en personeel
o Ongedierte- en vogelbestrijding
o Bedrijfsligging
o Ziektemanagement
o Werp- en kraamperiode
o Biggenbatterij
o Vleesvarkens
o Maatregelen tussen compartimenten, looplijnen en gebruik van gereedschap
o Reiniging en desinfectie
Voor vleeskippen
o Aankoop van eendagskuikens
o Afvoer van levende dieren
o Voeder- en watertoevoer
o Afvoer van mest en karkassen
o Bezoekers en personeel
o Aanvoer van goederen
o Infrastructuur en biologische vectoren
o Bedrijfsligging
o Ziektemanagement
o Reiniging en desinfectie
o Materialen en maatregelen tussen compartimenten
Meer informatie:
Bioveiligheid is het geheel van maatregelen dat erop gericht is om de insleep en verspreiding van ziektekiemen op een veebedrijf te voorkomen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen externe en interne bioveiligheid:
Een goede bioveiligheid is essentieel om jouw bedrijf te beschermen tegen de insleep en verdere verspreiding van aangifteplichtige ziekten (zoals Afrikaanse varkenspest of vogelgriep). Het verhoogt de diergezondheid en het dierenwelzijn, vermindert het medicatiegebruik en draagt bij aan betere technische resultaten (hogere dagelijkse groei, lagere voederconversie, lagere sterftecijfers, …). Daarnaast is een goede bioveiligheid belangrijk om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen en kwaliteitsstandaarden en voorkomt dit mogelijke boetes of productieverlies. Bovendien speelt het een cruciale rol in de strijd tegen antibioticaresistentie, wat niet enkel op bedrijfsniveau, maar ook op maatschappelijk niveau van groot belang is.
Volgens de statistieken van Biocheck.UGent scoren Belgische varkensbedrijven in het algemeen iets beter op externe bioveiligheid (gemiddelde score van 77%) dan op interne bioveiligheid (gemiddelde score van 74%). Op vlak van externe bioveiligheid kan er vooral nog vooruitgang geboekt worden op het gebied van “Voeder-, water- en gereedschapstoevoer”, waarvoor een gemiddelde score van 47% wordt gerapporteerd, en “Bedrijfsligging”, waarvoor een gemiddelde score van 62% wordt gerapporteerd. Bij interne bioveiligheid wordt in het algemeen minder goed gescoord op “Maatregelen tussen compartimenten, looplijnen en gebruik van gereedschap” (gemiddelde score van 60%).
Vleeskippenbedrijven in België scoren volgens de statistieken van Biocheck.UGent in het algemeen iets beter op interne bioveiligheid (gemiddelde score van 80%) dan op externe bioveiligheid (gemiddelde score van 78%). Op vlak van externe bioveiligheid kan er vooral nog vooruitgang geboekt worden op het gebied van “Voeder- en watertoevoer”, waarvoor een gemiddelde score van 66% wordt gerapporteerd. Bij interne bioveiligheid vinden we de laagste scores voor "Reiniging en desinfectie" en "Materialen en maatregelen tussen compartimenten" (gemiddelde score van 78%).
De indicator “duurzame waterbronnen” of “duurzaam watergebruik” werd gedefinieerd door Meul et al. (2006) en wordt gebruikt om weer te geven in welke mate duurzame en minder duurzame waterbronnen aangewend worden op landbouwbedrijven (bijvoorbeeld door het Agentschap Landbouw en Zeevisserij). Deze indicator wordt berekend als de som van alle regenwater, 80% van het oppervlaktewater en 50% van het ondiep grondwater gedeeld door het totale waterverbruik. Hoe groter dit percentage, hoe groter het aandeel duurzaam water dat gebruikt wordt.
In Deel 2 van het rapport kan je voor verschillende indicatoren jouw resultaat vergelijken met dat van andere vleesvarkens- of vleeskippenbedrijven die de scan hebben ingevuld. Hiervoor wordt vaak een 'violin plot' of 'vioolgrafiek' gebruikt. Hieronder wordt een fictief voorbeeld van zo'n grafiek getoond voor de aankoopprijs van het voeder op een varkensbedrijf (in €/ton), en wordt uitgelegd hoe je deze grafiek juist moet interpreteren.
De x-as (onderaan) toont de aankoopprijs van het voeder op een vleesvarkensbedrijf (in €/ton).
De oranje bol toont jouw resultaat.
De blauwe wolk geeft de verdeling of spreiding van de antwoorden van alle vleesvarkensbedrijven weer:
Concreet voor dit (fictief) voorbeeld zien we dat de aankoopprijs van het voeder van alle bedrijven varieert van zo'n 190 tot 570 €/ton. Veruit het grootste aandeel van de bedrijven schommelt rond 350 €/ton (brede wolk), terwijl veel minder bedrijven een lagere of hogere aankoopprijs hebben (de wolk wordt dunner naar de uiteinden toe). Het bedrijf in kwestie heeft een aankoopprijs van ongeveer 250 €/ton (oranje bol) en scoort daarmee zeer goed in vergelijking met de meeste andere bedrijven.
De volgende referentiewaarden voor vleesvarkens werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:
*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 20/02/2026.
De volgende referentiewaarden voor vleeskippen werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:
*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 23/01/2026.
Op basis van de referentiewaarden werd voor elke (numerieke) indicator de score van het bedrijf berekend (van −100 tot +100). De score drukt het resultaat van het bedrijf relatief uit ten opzichte van de referentiewaarde, met een minimum- en maximumscore van resp. -100 en +100:
score bedrijf (%) = (resultaat bedrijf − referentiewaarde) / referentiewaarde × 100
Voor indicatoren waarvoor een lager resultaat dan de referentiewaarde als beter beschouwd wordt (bijvoorbeeld lager uitvalpercentage dan de referentiewaarde), werd bovenstaande berekening vermenigvuldigd met −1, zodat een lager resultaat leidt tot een hogere positieve score (van toepassing op uitvalpercentage, bezettingsdichtheid en dead on arrival).
Voor indicatoren waarbij relatief kleine verschillen in absolute waarde een grote praktische relevantie hebben werd een correctiefactor toegepast op de berekende score, zodat deze verschillen proportioneel zwaarder doorwegen in de scoreberekening.
Voor categorische (niet-numerieke) indicatoren werd gewerkt met vaste scorecategorieën of een aangepaste berekening, zoals hierboven beschreven werd bij iedere indicator (van toepassing bij prevalentie van ziektes en aandoeningen, antibiotica register, controle dieren(welzijn) en beheersbaar stalklimaat).
De volgende referentiewaarden voor vleesvarkens werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:
De volgende referentiewaarden voor vleeskippen werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:
Op basis van de referentiewaarden werd voor elke indicator de score van het bedrijf berekend (van −100 tot +100). De score drukt het resultaat van het bedrijf relatief uit ten opzichte van de referentiewaarde, met een minimum- en maximumscore van resp. -100 en +100:
score bedrijf (%) = (resultaat bedrijf − referentiewaarde) / referentiewaarde × 100
Voor indicatoren waarvoor een lager resultaat dan de referentiewaarde als beter beschouwd wordt (bijvoorbeeld een lager energieverbruik dan de referentiewaarde), werd bovenstaande berekening vermenigvuldigd met −1, zodat een lager resultaat leidt tot een hogere positieve score (van toepassing op energieverbruik, waterverbruik, laag-eiwitvoeder en laag-fosforvoeder).
Voor categorische (niet-numerieke) indicatoren werd gewerkt met vaste scorecategorieën, zoals hierboven beschreven (van toepassing bij isolatie stal en asbest stal).
De volgende referentiewaarden voor vleesvarkens werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:
*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 14/01/2026.
De volgende referentiewaarden voor vleeskippen werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:
*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 20/02/2026.
Op basis van de referentiewaarden werd voor elke indicator de score van het bedrijf berekend (van −100 tot +100). De score drukt het resultaat van het bedrijf relatief uit ten opzichte van de referentiewaarde, met een minimum- en maximumscore van resp. -100 en +100:
score bedrijf (%) = (resultaat bedrijf − referentiewaarde) / referentiewaarde × 100
Voor indicatoren waarvoor een lager resultaat dan de referentiewaarde als beter beschouwd wordt (bijvoorbeeld lagere variabele kosten dan de referentiewaarde), werd bovenstaande berekening vermenigvuldigd met −1, zodat een lager resultaat leidt tot een hogere positieve score (van toepassing op totale variabele kosten, aankoopprijs voeder, voederconversie en liquiditeit).
Voor indicatoren waarbij relatief kleine verschillen in absolute waarde een grote praktische relevantie hebben (bv. een voederconversie van 2,80 t.o.v. 2,85), werd een correctiefactor toegepast op de berekende score, zodat deze verschillen proportioneel zwaarder doorwegen in de scoreberekening.
Voor de vragen binnen de sociale pijler werd gewerkt met een vijfpuntenschaal: helemaal niet akkoord, eerder niet akkoord, neutraal, eerder akkoord en helemaal akkoord. Aan elk antwoord werd per vraag een score toegekend van −2 tot +2, waarbij een hogere score wijst op een (eerder) positieve houding en een lagere score wijst op een (eerder) negatieve houding ten opzichte van de stelling. Bij positief geformuleerde stellingen (bv. “Ik doe mijn werk graag”) liep de score van −2 (helemaal niet akkoord), -1 (eerder niet akkoord), 0 (neutraal), +1 (eerder akkoord) tot +2 (helemaal akkoord). Bij negatief geformuleerde stellingen (bv. “Ik raak ontmoedigd door de vele inspecties en het bijhorend papierwerk”) werd de score omgekeerd toegekend van −2 (helemaal akkoord) tot +2 (helemaal niet akkoord).
Voor de berekening van de scores werden de vragen gegroepeerd in acht thema’s (toegang tot advies en kennis, werkplezier, work-life balance, economisch perspectief, marktinformatie, management, arbeidsomstandigheden en netwerk), met gemiddeld vier à vijf vragen per thema. Per thema werd een gemiddelde score berekend door de som van de scores van alle vragen relatief uit te drukken (in %) ten opzichte van de maximaal haalbare score. Dit percentage (van −100% tot +100%) is de gemiddelde score voor ieder thema en wordt weergegeven in de grafiek met groene (positieve score) en rode (negatieve score) balkjes (in Deel 1 van het rapport), of met oranje bolletjes (in Deel 2 van het rapport).
De verticale lijn in het midden van de grafiek komt overeen met score 0 en duidt op een eerder neutrale of onverschillige houding tegenover het thema (niet uitgesproken positief of negatief). Een score gelijk aan 0 wordt bijvoorbeeld bekomen wanneer op alle vragen neutraal wordt geantwoord, of wanneer positieve en negatieve antwoorden elkaar opheffen.