Begrippen

De solvabiliteit is de verhouding tussen het eigen vermogen en het totale vermogen van jouw bedrijf en geeft dus weer in welke mate jouw bedrijf afhankelijk is van vreemd vermogen. Hoe hoger de solvabiliteit, hoe beter jouw bedrijf financieel tegen een stootje kan, omdat een groter deel van jouw bezettingen betaald zijn met eigen vermogen, waardoor je minder afhankelijk bent van jouw investeerders.

Een voldoende hoge solvabiliteit kan belangrijk zijn bij het aanvragen van nieuwe financiering, omdat dit voor de bank aantoont dat er een lager risico bestaat op wanbetaling van de schulden op lange termijn. Een bedrijf met een solvabiliteit van bijvoorbeeld 70% zal doorgaans makkelijker bijkomend krediet verkrijgen dan een bedrijf met een solvabiliteit van 30%, omdat de bank meer zekerheid heeft over de financiële stabiliteit van het bedrijf en de mogelijkheid tot terugbetaling.

De liquiditeit of het werkkapitaal vertelt in hoeverre je in staat bent om aan de kortlopende betaalverplichtingen (< 1 jaar) van jouw bedrijf te voldoen. De liquiditeit wordt hier berekend als de verhouding van de jaarlast op de gerealiseerde cashflow. Dit zegt dus hoeveel liquide middelen worden gebruikt om de jaarlast te betalen, of anders gezegd, hoeveel procent van het beschikbare geld dat jaar naar afbetalingen gaat.

De liquiditeit is de crisisbarometer bij uitstek. Bij onvoldoende liquiditeit volstaat de gegenereerde cashflow niet om aan de betaalverplichtingen op korte termijn te voldoen, waardoor reserves aangesproken moeten worden of bijkomende financieringen gezocht moeten worden.

De rendabiliteit is het rendement van het ingebracht kapitaal of een vergoeding voor het geïnvesteerd vermogen (de winst).

De rendabiliteit drukt het gerealiseerde bruto saldo (= het verschil van de opbrengsten en de variabele kosten) uit als percentage van het totale bedrijfsvermogen. Dit percentage zegt dus hoeveel euro elke 100 euro die in het bedrijf werd geïnvesteerd heeft opgeleverd. Dus hoe hoger dit getal, hoe groter de winst. Het belang van een goede rendabiliteit is dat het, samen met de solvabiliteit, de toegang tot extra financiering makkelijker maakt. Voor de bank staat een hogere rendabiliteit garant voor een hogere terugbetaalcapaciteit.

Het familiaal arbeidsinkomen (FAI) is een veel gebruikte inkomensindicator voor landbouwbedrijven en geeft weer in hoeverre een bedrijf volwaardig vergoed wordt voor de ingezette productiefactoren (grond, bedrijfskapitaal en arbeid). Het bestaat uit de totale opbrengsten vermindert met de totale (variabele en vaste) kosten, inclusief fictieve pacht en rente, d.w.z. vergoeding voor grond en bedrijfskapitaal. Het familiaal arbeidsinkomen is dus wat overblijft als verloning voor de arbeid van de bedrijfsleider en meewerkende gezinsleden. Om te kunnen vergelijken tussen verschillende bedrijven wordt deze meestal uitgedrukt per afgeleverd(e) vleesvarken of vleeskip, per dierplaats, per staloppervlakte of per familiale arbeidskracht.

De arbeidsproductiviteit wordt bepaald door te kijken naar het aantal voltijdse arbeidskrachten (zowel betaald als onbetaald) in verhouding met het gemiddeld aantal aanwezige dieren. Dit geeft dus aan hoeveel dieren verzorgd worden per arbeidskracht op een bedrijf.

Het AB Register werd in 2014 gelanceerd door Belpork en wordt op heden beheerd door een overkoepelende organisatie vanuit Belpork (varkenssector), Belplume (pluimveesector) en IKM Vlaanderen (melkveesector). Het doel van het AB Register is om het antibioticagebruik binnen de veehouderij in kaart te brengen, met het oog op een verantwoord en duurzaam antibioticabeleid. Alle varkenshouders die erkend zijn binnen het BePork-kwaliteitssysteem zijn via het lastenboek verplicht om het antibioticagebruik te laten registreren in het AB Register. Ook via het lastenboek van Belplume worden alle vleeskippenhouders verplicht het antibioticagebruik te laten registreren in het AB Register.

Het AB Register registreert en analyseert het antibioticagebruik op het bedrijf en levert een gepersonaliseerd bedrijfsrapport af, waarmee de veehouder zijn antibioticaverbruik kan opvolgen en vergelijken met andere bedrijven. Dit rapport geeft de veehouder en de bedrijfsdierenarts een goed inzicht in het antibioticagebruik en kan helpen om de knelpunten op bedrijfsniveau te identificeren. De nodige gegevens (aard en hoeveelheid antibiotica) worden geregistreerd door de “verschaffer” (bedrijfsdierenartsen, mengvoederfabrikanten of apothekers) en worden nagekeken door de veehouder.

Voor meer informatie over het AB Register:

Het AB Register (Antibiotica Register) is een online tool die het verbruik van antibiotica op een bedrijf registreert en weergeeft in periodieke overzichten, waarmee een veehouder zijn antibioticaverbruik kan opvolgen en vergelijken met andere bedrijven. Het AB Register maakt hiervoor gebruik van een kleurcode (groen-geel-rood) die is gebaseerd op de “BD100-waarde”, of anders gezegd “het aantal dagen op 100 dat een dier op een bedrijf behandeld wordt met antibiotica”. Deze waarde houdt rekening met het aantal dieren op het bedrijf en met het type antibioticum en laat toe om het antibioticagebruik te vergelijken tussen verschillende diercategorieën, bedrijven en periodes.

Bedrijven worden gebenchmarkt door hun gemiddelde BD100-waarde te vergelijken met ‘interval-grenswaarden’:

  • De BD100-aandachtswaarde is de BD100-waarde waarvan het realistisch wordt geacht te verwachten dat op termijn 50% van de bedrijven een lagere gemiddelde BD100 hebben. Deze waarde markeert de overgang van de ‘veilige zone’ voor antibioticagebruik (score groen) naar de ‘aandachtszone’ (score geel).
  • De BD100-actiewaarde is de BD100-waarde waarvan het realistisch wordt geacht te verwachten dat op termijn 90% van de bedrijven een lagere gemiddelde BD100 hebben. Deze waarde markeert de overgang van de ‘aandachtszone’ voor antibioticagebruik (score geel) naar de ‘actiezone’ (score rood). Bedrijven met een gemiddelde BD100 hoger dan de BD100-actiewaarde worden beschouwd als grootgebruikers.





Meer informatie:

  1. Varkens: https://www.abregister.be/swfiles/files/Handleiding_ABR-varken_NL_v15_jun20241.pdf
  2. Pluimvee: https://www.abregister.be/swfiles/files/Handleiding_ABR-pluimvee_NL_v11.pdf
  3. AMCRA - Analyse antibioticumgebruik

Als veehouder ben je verplicht om jaarlijks door de bedrijfsdierenarts een risico-enquête over de insleep van aangifteplichtige ziekten te laten uitvoeren (zie de omzendbrief voor varkens van het FAVV voor meer informatie). Deze enquête moet ingevuld worden via de module “Bioveiligheidsaudit” op het platform FarmFit van DGZ en ARSIA. Deze bioveiligheidsaudit is gebaseerd op de Biocheck van de UGent en wordt aangevuld met een aantal vragen over de wettelijke verplichtingen. Na het invullen van de enquête, wordt het resultaat automatisch doorgestuurd naar het FAVV. Aan de hand van het resultaat moet de bedrijfsdierenarts in samenspraak met de varkenshouder binnen 30 kalenderdagen een actieplan opstellen om de bioveiligheid op het bedrijf te optimaliseren. Ook voor pluimveehouders is het ten zeerste aanbevolen om na het invullen van deze enquête een actieplan op te stellen.

Bij de audit worden externe en interne bioveiligheid verder opgedeeld in verschillende onderdelen die apart geëvalueerd worden. Afhankelijk van de score op ieder onderdeel, kunnen specifieke maatregelen genomen worden om deze te verbeteren. Sommige maatregelen zijn ook wettelijk verplicht.

Voor vleesvarkens

  • Externe bioveiligheid wordt opgedeeld in:

o Aankoop van fokdieren, biggen en sperma

o Afvoer van dieren, mest en kadavers

o Voeder-, water- en gereedschapstoevoer

o Bezoekers en personeel

o Ongedierte- en vogelbestrijding

o Bedrijfsligging

  1. Interne bioveiligheid wordt opgedeeld in:

o Ziektemanagement

o Werp- en kraamperiode

o Biggenbatterij

o Vleesvarkens

o Maatregelen tussen compartimenten, looplijnen en gebruik van gereedschap

o Reiniging en desinfectie

Voor vleeskippen

  1. Externe bioveiligheid wordt opgedeeld in:

o Aankoop van eendagskuikens

o Afvoer van levende dieren

o Voeder- en watertoevoer

o Afvoer van mest en karkassen

o Bezoekers en personeel

o Aanvoer van goederen

o Infrastructuur en biologische vectoren

o Bedrijfsligging

  1. Interne bioveiligheid wordt opgedeeld in:

o Ziektemanagement

o Reiniging en desinfectie

o Materialen en maatregelen tussen compartimenten

Meer informatie:

  1. https://biocheckgent.com/nl
  2. https://favv-afsca.be/sites/default/files/2023-09/20210531_omz_instructiesdierenartsenbioveiligheidsaudit_NL_v1.pdf
  3. https://farmfit.be/bioveiligheidsaudit/
  4. https://varkensloket.be/nl/bioveiligheid
  5. https://www.dgz.be/nieuws/plan-tijdig-uitvoering-risico-enquete-pluimveebedrijf
  6. https://www.dgz.be/nieuws/risico-enquete-pluimveebedrijven-2025-start
  7. https://www.dgz.be/nieuws/digitale-risico-enquete-pluimveebedrijven-beschikbaar-farmfit

Bioveiligheid is het geheel van maatregelen dat erop gericht is om de insleep en verspreiding van ziektekiemen op een veebedrijf te voorkomen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen externe en interne bioveiligheid:

  • Externe bioveiligheid: het voorkomen van de insleep van ziektekiemen van buitenaf op het bedrijf
  • Interne bioveiligheid: het voorkomen of beperken van de verspreiding van ziektekiemen binnen het bedrijf

Een goede bioveiligheid is essentieel om jouw bedrijf te beschermen tegen de insleep en verdere verspreiding van aangifteplichtige ziekten (zoals Afrikaanse varkenspest of vogelgriep). Het verhoogt de diergezondheid en het dierenwelzijn, vermindert het medicatiegebruik en draagt bij aan betere technische resultaten (hogere dagelijkse groei, lagere voederconversie, lagere sterftecijfers, …). Daarnaast is een goede bioveiligheid belangrijk om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen en kwaliteitsstandaarden en voorkomt dit mogelijke boetes of productieverlies. Bovendien speelt het een cruciale rol in de strijd tegen antibioticaresistentie, wat niet enkel op bedrijfsniveau, maar ook op maatschappelijk niveau van groot belang is.

Volgens de statistieken van Biocheck.UGent scoren Belgische varkensbedrijven in het algemeen iets beter op externe bioveiligheid (gemiddelde score van 77%) dan op interne bioveiligheid (gemiddelde score van 74%). Op vlak van externe bioveiligheid kan er vooral nog vooruitgang geboekt worden op het gebied van “Voeder-, water- en gereedschapstoevoer”, waarvoor een gemiddelde score van 47% wordt gerapporteerd, en “Bedrijfsligging”, waarvoor een gemiddelde score van 62% wordt gerapporteerd. Bij interne bioveiligheid wordt in het algemeen minder goed gescoord op “Maatregelen tussen compartimenten, looplijnen en gebruik van gereedschap” (gemiddelde score van 60%).

Vleeskippenbedrijven in België scoren volgens de statistieken van Biocheck.UGent in het algemeen iets beter op interne bioveiligheid (gemiddelde score van 80%) dan op externe bioveiligheid (gemiddelde score van 78%). Op vlak van externe bioveiligheid kan er vooral nog vooruitgang geboekt worden op het gebied van “Voeder- en watertoevoer”, waarvoor een gemiddelde score van 66% wordt gerapporteerd. Bij interne bioveiligheid vinden we de laagste scores voor "Reiniging en desinfectie" en "Materialen en maatregelen tussen compartimenten" (gemiddelde score van 78%).

De indicator “duurzame waterbronnen” of “duurzaam watergebruik” werd gedefinieerd door Meul et al. (2006) en wordt gebruikt om weer te geven in welke mate duurzame en minder duurzame waterbronnen aangewend worden op landbouwbedrijven (bijvoorbeeld door het Agentschap Landbouw en Zeevisserij). Deze indicator wordt berekend als de som van alle regenwater, 80% van het oppervlaktewater en 50% van het ondiep grondwater gedeeld door het totale waterverbruik. Hoe groter dit percentage, hoe groter het aandeel duurzaam water dat gebruikt wordt.

In Deel 2 van het rapport kan je voor verschillende indicatoren jouw resultaat vergelijken met dat van andere vleesvarkens- of vleeskippenbedrijven die de scan hebben ingevuld. Hiervoor wordt vaak een 'violin plot' of 'vioolgrafiek' gebruikt. Hieronder wordt een fictief voorbeeld van zo'n grafiek getoond voor de aankoopprijs van het voeder op een varkensbedrijf (in €/ton), en wordt uitgelegd hoe je deze grafiek juist moet interpreteren.



De x-as (onderaan) toont de aankoopprijs van het voeder op een vleesvarkensbedrijf (in €/ton).

De oranje bol toont jouw resultaat.

De blauwe wolk geeft de verdeling of spreiding van de antwoorden van alle vleesvarkensbedrijven weer:

  • Het meest linkse punt van de wolk (waar de wolk 'start') geeft weer wat de laagste aankoopprijs is die werd ingevuld door een bedrijf.
  • Het meeste rechtse punt van de wolk (waar de wolk 'eindigt') geeft weer wat de hoogste aankoopprijs is die werd ingevuld door een bedrijf.
  • De dikte of breedte van de wolk op ieder punt laat zien hoeveel bedrijven een gelijkaardig resultaat hebben. Hoe dikker de wolk op een bepaald punt, hoe meer bedrijven rond diezelfde waarde zitten. Hoe dunner de wolk op een bepaald punt, hoe minder bedrijven rond die waarde zitten.

Concreet voor dit (fictief) voorbeeld zien we dat de aankoopprijs van het voeder van alle bedrijven varieert van zo'n 190 tot 570 €/ton. Veruit het grootste aandeel van de bedrijven schommelt rond 350 €/ton (brede wolk), terwijl veel minder bedrijven een lagere of hogere aankoopprijs hebben (de wolk wordt dunner naar de uiteinden toe). Het bedrijf in kwestie heeft een aankoopprijs van ongeveer 250 €/ton (oranje bol) en scoort daarmee zeer goed in vergelijking met de meeste andere bedrijven.

De volgende referentiewaarden voor vleesvarkens werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:

  • Prevalentie van ziektes en aandoeningen: theoretische referentie die een "beperkt/matig" voorkomen van de bevraagde ziektes en aandoeningen voorstelt. De mate waarin een bepaalde ziekte/aandoening voorkomt op het bedrijf wordt bevraagd met een vierpuntenschaal: <1%, 1-3%, 3-5% en >5% van de dieren. Aan elk antwoord werd per ziekte/aandoening een score toegekend van respectievelijk +2, +1, -1 en -2, waarbij een lagere (negatieve) score wijst op een hogere prevalentie van die bepaalde ziekte of aandoening op het bedrijf. De gemiddelde score voor deze indicator wordt berekend door de som van de scores voor iedere ziekte/aandoening relatief uit te drukken (in %) ten opzichte van de maximaal haalbare score.
  • Antibiotica register: theoretische referentie, waarbij kleurcodes "Groen", "Geel" en "Rood" een score toegewezen krijgen van respectievelijk +100, -10 en -100%.
  • Ziekenboeg: theoretische referentie, waarbij de antwoorden "Ziekenboeg aanwezig (afzonderlijke ruimte)", "Ziekenboeg aanwezig (afzonderlijk hok in de stal)" en "Geen ziekenboeg aanwezig" een score toegewezen krijgen van respectievelijk +100, +50 en -100%.
  • Sterftepercentage: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde sterftepercentage van de laatste vijf gerapporteerde jaren (2020-2024) van de Vlaamse vleesvarkenssector volgens de Bedrijfstakresultaten varkens van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (3,22%)*.
  • Bioveiligheid: de gemiddelde score voor totale bioveiligheid van de varkenshouderij in België volgens data van Biocheck.UGent (75,5%)*.
  • Hokdensiteit: een meer geschikte of "ideale" hokdensiteit met het oog op een betere diergezondheid en -welzijn (bron: Economische en technische kengetallen in het moderne varkensbedrijf) (0,8 m² / dier)
  • Hokverrijking: theoretische referentie, waarbij de totale score wordt berekend als de som van de deelscores van alle aanwezige verrijkingsmaterialen. Aan elk verrijkingsmateriaal wordt een vaste deelscore toegekend op basis van de categorie waartoe het behoort en de mate waarin het bijdraagt aan het bevorderen van het dierenwelzijn (volgens Verrijkingsmateriaal | Vlaanderen.be). Verrijkingsmaterialen uit categorie 1 krijgen elk een deelscore van +10%, terwijl materialen uit categorie 2 en categorie 3 een deelscore van respectievelijk -20% en -100% krijgen. Binnen categorie 1 wordt nog een onderscheid gemaakt voor materialen die als beter worden beschouwd omdat ze kauw- en eetbaar zijn. Deze materialen krijgen een hogere waardering. Zo ontvangen organisch zachte en vervormbare materialen (aan een ketting of in een houder) een deelscore van +30%, ruwvoeder een deelscore van +40% en natuurlijk materiaal (zoals stro) een deelscore van +50%. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de beoordeling van de doeltreffendheid van de hokverrijking. Wanneer deze op regelmatige basis wordt geëvalueerd, wordt de totale score verhoogd met 50%. Indien dit niet gebeurt, wordt de totale score verlaagd met 50%. De totale score is dus het resultaat van de optelsom van alle toepasselijke deelscores.
  • Controle dieren(welzijn): theoretische referentie, waarbij het uitvoeren van minder dan één controle, één controle en twee of meer controles van stal en dieren(welzijn) per dag leidt tot een score van respectievelijk -100%, 30% en 50%. Indien op regelmatige basis een dierenwelzijnsapp wordt gebruikt om het welzijn van de dieren te beoordelen, wordt bij voorgaande scores 50% opgeteld.
  • Beheersbaar stalklimaat/thermisch comfort: theoretische referentie, waarbij de score (-100 tot +100%) wordt berekend als: score = -100 + ( 60*K + 60*MV + 40*V + 20*ID + 20*IM), met K = mogelijkheid tot koeling, MV = mogelijkheid tot mechanische ventilatie, V = mogelijkheid tot verwarming, ID = aanwezigheid van isolatie dak, IM = aanwezigheid van isolatie muren. Wanneer bijvoorbeeld een koelsysteem aanwezig is in de stal, is K=1 en wordt de score verhoogd met 60%. Deze indicator geeft weer in welke mate stalsystemen/elementen aanwezig zijn die het stalklimaat kunnen regelen/beheersen wanneer nodig.

*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 20/02/2026.


De volgende referentiewaarden voor vleeskippen werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:

  1. Prevalentie van ziektes en aandoeningen: theoretische referentie die een "beperkt/matig" voorkomen van de bevraagde ziektes en aandoeningen voorstelt. De mate waarin een bepaalde ziekte/aandoening voorkomt op het bedrijf wordt bevraagd met een vierpuntenschaal: <1%, 1-3%, 3-5% en >5% van de dieren. Aan elk antwoord werd per ziekte/aandoening een score toegekend van respectievelijk +2, +1, -1 en -2, waarbij een lagere (negatieve) score wijst op een hogere prevalentie van die bepaalde ziekte of aandoening op het bedrijf. De gemiddelde score voor deze indicator wordt berekend door de som van de scores voor iedere ziekte/aandoening relatief uit te drukken (in %) ten opzichte van de maximaal haalbare score.
  2. Antibiotica register: theoretische referentie, waarbij kleurcodes "Groen", "Geel" en "Rood" een score toegewezen krijgen van respectievelijk +100, -10 en -100%.
  3. Uitvalpercentage: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde uitvalpercentage van de laatste vijf gerapporteerde jaren (2020-2024) van de Vlaamse vleeskippensector volgens de Bedrijfstakresultaten pluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (2,91%)*.
  4. Bioveiligheid: de gemiddelde score voor totale bioveiligheid van de vleeskippensector in België volgens data van Biocheck.UGent (79%)*.
  5. Bezettingsdichtheid: de maximale bezettingsdichtheid zoals vastgelegd in de Europese wetgeving zonder mogelijkheid tot verhoging (33 kg / m²)
  6. Dead on arrival (DOA): gemiddeld percentage dood aangevoerde dieren (DOA) in een grootschalige studie bij Belgische vleeskippenbedrijven en -slachthuizen (0,30%)
  7. Controle dieren(welzijn): theoretische referentie, waarbij het uitvoeren van minder dan één controle, één controle, twee controles, drie controles en meer dan drie controles van stal en dieren(welzijn) per dag leidt tot een score van respectievelijk -100%, -80%, +30%, +40% en +50%. Indien op regelmatige basis een dierenwelzijnsapp wordt gebruikt om het welzijn van de dieren te beoordelen, wordt bij voorgaande scores 50% opgeteld.
  8. Beheersbaar stalklimaat/thermisch comfort: theoretische referentie, waarbij de score (-100 tot +100%) wordt berekend als: score = -100 + (60*K + 60*MV + 40*V + 20*ID + 10*IM + 10*IV), met K = mogelijkheid tot koeling, MV = mogelijkheid tot mechanische ventilatie, V = mogelijkheid tot verwarming, ID = aanwezigheid van isolatie dak, IM = aanwezigheid van isolatie muren en IV = aanwezigheid van isolatie vloer. Wanneer bijvoorbeeld een koelsysteem aanwezig is in de stal, is K=1 en wordt de score verhoogd met 60%. Deze indicator geeft weer in welke mate stalsystemen/elementen aanwezig zijn die het stalklimaat kunnen regelen/beheersen wanneer nodig.

*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 23/01/2026.


Op basis van de referentiewaarden werd voor elke (numerieke) indicator de score van het bedrijf berekend (van −100 tot +100). De score drukt het resultaat van het bedrijf relatief uit ten opzichte van de referentiewaarde, met een minimum- en maximumscore van resp. -100 en +100:

score bedrijf (%) = (resultaat bedrijf − referentiewaarde) / referentiewaarde × 100

Voor indicatoren waarvoor een lager resultaat dan de referentiewaarde als beter beschouwd wordt (bijvoorbeeld lager uitvalpercentage dan de referentiewaarde), werd bovenstaande berekening vermenigvuldigd met −1, zodat een lager resultaat leidt tot een hogere positieve score (van toepassing op uitvalpercentage, bezettingsdichtheid en dead on arrival).

Voor indicatoren waarbij relatief kleine verschillen in absolute waarde een grote praktische relevantie hebben werd een correctiefactor toegepast op de berekende score, zodat deze verschillen proportioneel zwaarder doorwegen in de scoreberekening.

Voor categorische (niet-numerieke) indicatoren werd gewerkt met vaste scorecategorieën of een aangepaste berekening, zoals hierboven beschreven werd bij iedere indicator (van toepassing bij prevalentie van ziektes en aandoeningen, antibiotica register, controle dieren(welzijn) en beheersbaar stalklimaat).

De volgende referentiewaarden voor vleesvarkens werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:

  • Energieverbruik vleesvarkens: gemiddeld energieverbruik voor vleesvarkensbedrijven in Vlaanderen op basis van schattingen, literatuurwaarden (Bespaar Watt op je varken, Energie in de varkensketen, Enerpedia) en vroegere peilingen (50 kWh/vleesvarkensplaats/jaar)
  • Hernieuwbare energie: EU-doelstelling met betrekking tot hernieuwbare energie tegen 2030 (Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030) (42,5%)
  • Waterverbruik vleesvarkens: gemiddeld waterverbruik voor vleesvarkens in Vlaanderen volgens Agentschap Landbouw en Visserij, Departement Landbouw en Visserij en MIRA (2007) (2 m³ water/jaar per vleesvarkensplaats)
  • Duurzaam watergebruik: het gemiddeld duurzaam watergebruik in de Vlaamse varkenshouderij volgens Agentschap Landbouw en Visserij (35,1%)
  • Isolatie stal: theoretische referentie op basis van de aanwezigheid van isolatie in de stallen (isolatie dak en muren = maximumscore (100%), isolatie enkel dak = 50%, isolatie enkel muren = 10%, geen isolatie = minimumscore (-100%), waarbij een gemiddelde score wordt berekend indien 2 stallen ingevuld werden)
  • Asbest stal: theoretische referentie op basis van de aanwezigheid van asbest in de stallen (geen asbest = maximumscore (100%), nog asbest aanwezig = minimumscore (-100%), waarbij een gemiddelde score wordt berekend indien 2 stallen ingevuld werden)
  • Laag-eiwit voeder: gemiddeld maximaal toegelaten gehalte aan ruw eiwit in het voeder over de verschillende dierklassen genomen volgens het convenant voor laag-fosfor- en laag-eiwitvoeders (14,9%)
  • Laag-fosfor voeder: gemiddeld maximaal toegelaten gehalte aan totaal fosfor in het voeder over de verschillende dierklassen genomen volgens het convenant voor laag-fosfor- en laag-eiwitvoeders (0,5%)


De volgende referentiewaarden voor vleeskippen werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:

  1. Energieverbruik vleeskippen: gemiddeld energieverbruik voor vleeskippenbedrijven in Vlaanderen en Europa op basis van schattingen, literatuurwaarden en vroegere peilingen (Big Dutchman, KTBL, WUR, Energy Use of Animal House in Europe) (10 kWh/jaar per dierplaats)
  2. Hernieuwbare energie: EU-doelstelling met betrekking tot hernieuwbare energie tegen 2030 (Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021-2030) (42,5%)
  3. Waterverbruik vleeskippen: gemiddeld waterverbruik voor vleeskippenbedrijven in Vlaanderen op basis van schattingen, literatuurwaarden en vroegere peilingen (iBBT, MIRA, Vlaamse Milieumaatschappij - Berekening van de heffing op waterverontreiniging voor landbouw) (0,075 m³ water/jaar per dierplaats)
  4. Duurzaam watergebruik: het gemiddeld duurzaam watergebruik in de Vlaamse pluimveehouderij volgens Agentschap Landbouw & Visserij (14%)
  5. Isolatie stal: theoretische referentie op basis van de aanwezigheid van isolatie in de stallen (isolatie dak, muren en vloer = maximumscore (100%), isolatie dak en muren = 50%, isolatie dak en vloer = 50%, isolatie muren en vloer = 25%, isolatie enkel dak = 25%, isolatie enkel muren = 10%, isolatie enkel vloer = 5%, geen isolatie = minimumscore (-100%), waarbij een gemiddelde score wordt berekend indien 2 stallen ingevuld werden)
  6. Asbest stal: theoretische referentie op basis van de aanwezigheid van asbest in de stallen (geen asbest = maximumscore (100%), nog asbest aanwezig = minimumscore (-100%), waarbij een gemiddelde score wordt berekend indien 2 stallen ingevuld werden)
  7. Laag-eiwit voeder: gemiddeld maximaal toegelaten gehalte aan ruw eiwit in het voeder over de verschillende dierklassen genomen volgens het convenant voor laag-fosfor- en laag-eiwitvoeders (19,65%)
  8. Laag-fosfor voeder: gemiddeld maximaal toegelaten gehalte aan totaal fosfor in het voeder over de verschillende dierklassen genomen volgens het convenant voor laag-fosfor- en laag-eiwitvoeders (0,5%)

Op basis van de referentiewaarden werd voor elke indicator de score van het bedrijf berekend (van −100 tot +100). De score drukt het resultaat van het bedrijf relatief uit ten opzichte van de referentiewaarde, met een minimum- en maximumscore van resp. -100 en +100:

score bedrijf (%) = (resultaat bedrijf − referentiewaarde) / referentiewaarde × 100

Voor indicatoren waarvoor een lager resultaat dan de referentiewaarde als beter beschouwd wordt (bijvoorbeeld een lager energieverbruik dan de referentiewaarde), werd bovenstaande berekening vermenigvuldigd met −1, zodat een lager resultaat leidt tot een hogere positieve score (van toepassing op energieverbruik, waterverbruik, laag-eiwitvoeder en laag-fosforvoeder).

Voor categorische (niet-numerieke) indicatoren werd gewerkt met vaste scorecategorieën, zoals hierboven beschreven (van toepassing bij isolatie stal en asbest stal).

De volgende referentiewaarden voor vleesvarkens werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:

  • Familiaal arbeidsinkomen: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleesvarkenssector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Sectorbarometer vleesvarkens van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (13,17; 17,59 en 11,41 € / afgeleverd vleesvarken voor resp. 2023, 2024 en 2025)*
  • Totale variabele kosten: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleesvarkenssector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Sectorbarometer vleesvarkens van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (184,44; 171,48 en 153,42 € / afgeleverd vleesvarken voor resp. 2023, 2024 en 2025)*
  • Aankoopprijs voeder: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleesvarkenssector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Sectorbarometer vleesvarkens van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (349,14; 304,96 en 299,27 € / ton voor resp. 2023, 2024 en 2025)*
  • Verkoopprijs vleesvarkens: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleesvarkenssector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Sectorbarometer vleesvarkens van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (1,79; 1,64 en 1,44 € / kg voor resp. 2023, 2024 en 2025)*
  • Voederconversie: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleesvarkenssector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Bedrijfstakresultaten vleesvarkens van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (2,94 en 2,92 voor resp. 2023 en 2024)* (geen data beschikbaar voor 2025)
  • Arbeidsproductiviteit: gemiddelde waarde verkregen uit literatuur en vroegere steekproeven bij vleesvarkensbedrijven in Nederland (Grote verschillen in arbeidsinzet in de varkenshouderij, Omvang van een varkensbedrijf) (2000 vleesvarkens / voltijdse arbeidskracht)
  • Solvabiliteit: gemiddelde waarde van de Vlaamse varkenssector in 2020 volgens Boerenbond (61%)
  • Rendabiliteit: gemiddeld resultaat van de Vlaamse varkenssector volgens Boerenbond (25%)
  • Liquiditeit: streefwaarde voor Vlaamse varkensbedrijven volgens Boerenbond (30%)

*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 14/01/2026.


De volgende referentiewaarden voor vleeskippen werden gebruikt voor de indicatoren die getoond worden in de grafiek:

  1. Familiaal arbeidsinkomen: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippensector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Bedrijfstakresultaten pluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (89,43 en 105,44 € / m² staloppervlakte voor resp. 2023 en 2024)* (geen data beschikbaar voor 2025)
  2. Totale variabele kosten: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippensector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Bedrijfstakresultaten pluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (295,08 en 265,78 € / m² staloppervlakte voor resp. 2023 en 2024)* (geen data beschikbaar voor 2025)
  3. Aankoopprijs voeder: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippensector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Bedrijfstakresultaten pluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (432,9 en 387,49 € / ton voor resp. 2023 en 2024)* (geen data beschikbaar voor 2025)
  4. Verkoopprijs vleeskippen: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippensector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Bedrijfstakresultaten pluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (1,2 en 1,18 € / kg voor resp. 2023 en 2024)* (geen data beschikbaar voor 2025)
  5. Voederconversie: het (geëxtrapoleerd) gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippensector voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de Bedrijfstakresultaten pluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (1,58 en 1,59 voor resp. 2023 en 2024)* (geen data beschikbaar voor 2025)
  6. Arbeidsproductiviteit: het (geëxtrapoleerd) gemiddeld aantal aanwezige vleeskippen per voltijdse arbeidskracht (VAK) berekend met de data van Resultatenrekening volledig bedrijf: slachtpluimvee van Agentschap Landbouw en Zeevisserij (63020 vleeskippen / voltijdse arbeidskracht)*
  7. Solvabiliteit: het gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippenbedrijven voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de dataset van Boerenbond (20,6% en 33,5% voor resp. 2023 en 2024)
  8. Rendabiliteit: het gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippenbedrijven voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de dataset van Boerenbond (31,5% en 34,1% voor resp. 2023 en 2024)
  9. Liquiditeit: het gemiddelde resultaat van de Vlaamse vleeskippenbedrijven voor het boekjaar waarvoor de economische pijler werd ingevuld, volgens de dataset van Boerenbond (49,7% en 49,4% voor resp. 2023 en 2024)

*Deze waarden werden het laatst geüpdatet op 20/02/2026.


Op basis van de referentiewaarden werd voor elke indicator de score van het bedrijf berekend (van −100 tot +100). De score drukt het resultaat van het bedrijf relatief uit ten opzichte van de referentiewaarde, met een minimum- en maximumscore van resp. -100 en +100:

score bedrijf (%) = (resultaat bedrijf − referentiewaarde) / referentiewaarde × 100

Voor indicatoren waarvoor een lager resultaat dan de referentiewaarde als beter beschouwd wordt (bijvoorbeeld lagere variabele kosten dan de referentiewaarde), werd bovenstaande berekening vermenigvuldigd met −1, zodat een lager resultaat leidt tot een hogere positieve score (van toepassing op totale variabele kosten, aankoopprijs voeder, voederconversie en liquiditeit).

Voor indicatoren waarbij relatief kleine verschillen in absolute waarde een grote praktische relevantie hebben (bv. een voederconversie van 2,80 t.o.v. 2,85), werd een correctiefactor toegepast op de berekende score, zodat deze verschillen proportioneel zwaarder doorwegen in de scoreberekening.

Voor de vragen binnen de sociale pijler werd gewerkt met een vijfpuntenschaal: helemaal niet akkoord, eerder niet akkoord, neutraal, eerder akkoord en helemaal akkoord. Aan elk antwoord werd per vraag een score toegekend van −2 tot +2, waarbij een hogere score wijst op een (eerder) positieve houding en een lagere score wijst op een (eerder) negatieve houding ten opzichte van de stelling. Bij positief geformuleerde stellingen (bv. “Ik doe mijn werk graag”) liep de score van −2 (helemaal niet akkoord), -1 (eerder niet akkoord), 0 (neutraal), +1 (eerder akkoord) tot +2 (helemaal akkoord). Bij negatief geformuleerde stellingen (bv. “Ik raak ontmoedigd door de vele inspecties en het bijhorend papierwerk”) werd de score omgekeerd toegekend van −2 (helemaal akkoord) tot +2 (helemaal niet akkoord).

Voor de berekening van de scores werden de vragen gegroepeerd in acht thema’s (toegang tot advies en kennis, werkplezier, work-life balance, economisch perspectief, marktinformatie, management, arbeidsomstandigheden en netwerk), met gemiddeld vier à vijf vragen per thema. Per thema werd een gemiddelde score berekend door de som van de scores van alle vragen relatief uit te drukken (in %) ten opzichte van de maximaal haalbare score. Dit percentage (van −100% tot +100%) is de gemiddelde score voor ieder thema en wordt weergegeven in de grafiek met groene (positieve score) en rode (negatieve score) balkjes (in Deel 1 van het rapport), of met oranje bolletjes (in Deel 2 van het rapport).

De verticale lijn in het midden van de grafiek komt overeen met score 0 en duidt op een eerder neutrale of onverschillige houding tegenover het thema (niet uitgesproken positief of negatief). Een score gelijk aan 0 wordt bijvoorbeeld bekomen wanneer op alle vragen neutraal wordt geantwoord, of wanneer positieve en negatieve antwoorden elkaar opheffen.