In de pluimveehouderij worden verschillende rassen gehouden, elk met hun eigen groeisnelheid en kenmerken. Reguliere rassen (bv Ross 308) groeien snel en bereiken hun slachtgewicht in korte tijd (gemiddeld 5-6 weken). Deze snelgroeiende rassen zijn efficiënt qua productie maar vragen extra aandacht mbt hun gezondheid en welzijn. Door selectie naar snelle groei zijn deze vleeskuikens vatbaarder voor diverse gezondheids- en welzijnsproblemen, met name skeletafwijkingen, darmgezondheidsproblemen en hartaandoeningen. Trager groeiende rassen ontwikkelen zich langzamer, wat vaak resulteert in robuustere dieren met een hogere weerstand tegen bepaalde gezondheidsproblemen.
De trager groeiende kuikens hebben een ander genetisch groeipotentieel waardoor de slachtleeftijd op een latere leeftijd wordt bekomen. Hubbard Redbro kuikens bijvoorbeeld hebben 8 à 9 dagen meer nodig om eenzelfde slachtgewicht te behalen als de reguliere Ross 308 kuikens. Ze hebben hiervoor meer voeder en water nodig en de voederconversie is duidelijk hoger. Trager groeiende kuikens mogen maximaal aan 30 kg/m² zitten.
actievere, beweeglijkere kuikens
minder voetzoollaesies, geen effect op hakken
minder gevoelig voor enterococcen en bij infecties kleiner effect op sterfte
lager antibioticagebruik
drogere en rullere strooisellaag
coccidiose ook aanwezig bij trager groeiende kuikens, maar symptomen minder duidelijk zichtbaar
uitval meestal vergelijkbaar als bij reguliere kuiken
minder (fysieke) arbeidsbelasting voor pluimveehouder
meer stof (goede bescherming noodzakelijk)
hogere voederconversie / voederkost
hogere variabele en vaste kosten omwille van minder kg vlees (kuikens) per m² op jaarbasis
de meerprijs is afhankelijk van afzetmarkt, nood om alle delen (filet, boven- en onderbout) aan meerwaarde te kunnen vermarkten
hogere ammoniak emissie (NH3)
meer stof door drogere stal
hoger voeder- en waterverbruik, hogere voederconversie
hoger energieverbruik voor verwarming
meer grond nodig om voeder voor de kippen te produceren
Trager groeiende kippen scoren duidelijk beter op dierenwelzijn dan reguliere kippen. Ze hebben minder pootproblemen, vertonen meer natuurlijke gedragingen zoals lopen en scharrelen omwille van een tragere groeisnelheid en het gewicht beter in verhouding blijft tot hun skelet en spieren. Hierdoor is ook de uitval lager dan bij reguliere vleeskuikens. Ook hebben ze hierdoor minder last van voetzool- en haklaesies.
Conclusie: Trager groeiende rassen bieden duidelijke voordelen op vlak van dierenwelzijn, mobiliteit en natuurlijk gedrag, wat resulteert in een hogere welzijnskwaliteit.Reguliere en trager groeiende kippen verschillen duidelijk in hun technische prestaties. Trager groeiende kippen hebben een hogere voederconversie, omdat ze meer voer nodig hebben om dezelfde gewichtstoename te realiseren. Zowel de dagelijkse voederopname als de dagelijkse groei liggen bij trager groeiende kippen lager, en ook hun karkasopbrengst is doorgaans iets lager dan bij de reguliere kippen. Aan de andere kant ligt de mortaliteit lager bij trager groeiende kippen.
Wel ligt de scheurkracht bij de reguliere kuikens duidelijk lager dan bij de trager groeiende groepen waaruit men kan besluiten dat het genotype een effect heeft op malsheid en sappigheid (OptiWel-Emis demoproject, 2024).
Conclusie: Reguliere vleeskuikens presteren efficiënter op groei en voederconversie, terwijl trager groeiende kippen voordelen bieden op het vlak van lagere uitval.
Er zijn enkele studies beschikbaar die emissies rechtstreeks vergelijken tussen reguliere en trager groeiende kippen. Deze tonen aan dat ammoniakemissies hoger zijn bij trager groeiende rassen, nog een andere studie toonde een hogere stikstofexcretie aan bij trager groeiende kippen.
Wat duidelijk naar voren komt uit recente levenscyclusanalyses, is dat de klimaatimpact (CO₂-equivalenten) van trager groeiende kippen hoger ligt dan die van reguliere kippen. Dit komt vooral doordat trager groeiende kippen meer voer nodig hebben en langer leven om hetzelfde eindgewicht te bereiken, waardoor de totale emissies per kg vlees toenemen.
Conclusie: de beschikbare gegevens wijzen erop dat trager groeiende kippen een hogere klimaatimpact per kg geproduceerd vlees hebben dan reguliere kippen.
Een goede bedrijfspresentatie, transparante communicatie en aandacht voor dierenwelzijn en milieu dragen sterk bij aan een positief imago van de pluimveehouder. Bedrijven die inzetten op duurzaamheid merken vaak dat dit hun vertrouwen bij consumenten, omwonenden en afnemers versterkt.
Ook de arbeidsbelasting is een belangrijk onderdeel van de sociale duurzaamheid. Het gebruik van trager groeiende rassen brengt langere rondes met zich mee, wat betekent dat de stal langer bezet blijft en het aantal productierondes per jaar daalt. Dit vraagt om zorgvuldige planning, en kan de totale arbeidsduur per ronde verhogen. Tegelijk zorgt het vaak voor rustigere dieren, minder gezondheidsproblemen en minder nood aan ingrepen, wat de dagelijkse werkdruk juist kan verlagen.
Conclusie: investeren in een positief imago en werkbare arbeidsomstandigheden versterkt de sociale duurzaamheid van het bedrijf en draagt bij aan een toekomstbestendige pluimveehouderij.
De bezettingsdichtheid heeft een brede impact op de duurzaamheid van een pluimveebedrijf. Ze beïnvloedt niet alleen de technische prestaties van de dieren, maar ook het dierenwelzijn, de emissies, het energie- en watergebruik en zelfs de arbeidsbelasting. Door de juiste balans te vinden tussen rendement en ruimte, kunnen pluimveehouders zowel de gezondheid van hun dieren verbeteren als hun bedrijfsvoering verduurzamen.
Op deze pagina worden de belangrijkste inzichten weergegeven, zodat bedrijven weloverwogen keuzes kunnen maken in functie van hun eigen situatie en doelstellingen.
Droger strooisel → minder risico op voetzoollaesies
Hogere welzijnsscores (gedrag en comfort)
Meer scharrelgedrag en natuurlijk gedrag (vleugels/poten strekken, lichaamsverzorging, beweging)
Gemakkelijkere toegang tot voer en water
Mogelijk verbeterde immuunrespons (lagere heterofielen/lymfocyten ratio)
Lagere ammoniakconcentraties → minder respiratoire problemen
Positief imago bij consumenten en afnemers
Minder arbeid nodig voor strooisel, gezondheidscontrole en ventilatiebeheer
Hoger dierenwelzijn kan marketingvoordeel opleveren
Hoger eindgewicht
Minder geproduceerd vlees per ronde
Hogere voederopname, voederconversie varieert sterk afhankelijk van hokgrootte, ventilatie, klimaat en management
Lagere ammoniakemissie per stal
Betere luchtkwaliteit
Hogere ammoniakemissie per dier
Minder efficiënt gebruik van water en elektriciteit per stal
Veel studies tonen aan dat lagere bezettingsdichtheden een positieve invloed hebben op het dierenwelzijn. Een duidelijk voorbeeld is de kwaliteit van het strooisel: lagere dichtheden leiden vaker tot minder vochtig strooisel, wat het risico op voetzool- en haklaesies verlaagt.
Ook andere welzijnsindicatoren, zoals een geïntegreerde welzijnsscore (bijv. met testen naar beweeglijkheid en stressniveau), vallen meestal gunstiger uit bij lagere densiteiten. Met andere woorden: kippen scoren vaak beter op gedrag en comfort wanneer ze meer ruimte hebben.
Daarnaast neemt scharrelgedrag toe naarmate de dichtheid afneemt, en wordt de toegang tot voeder en drinkwater makkelijker. Verschillende studies tonen ook meer ruimte voor natuurlijk gedrag zoals vleugels strekken, poten uitstrekken, lichaamsverzorging en algemene beweeglijkheid.
Op vlak van diergezondheid zijn de studies eerder beperkt, wel wordt soms een verhoogde immuunrespons genoemd bij lagere densiteiten. Ook kunnen lagere densiteiten leiden tot verlaagde ammoniakconcentraties in de stal wat respiratoire problemen kan verminderen.
Conclusie: Trager groeiende rassen bieden duidelijke voordelen op vlak van dierenwelzijn, mobiliteit en natuurlijk gedrag, wat resulteert in een hogere welzijnskwaliteit.
Uit onderzoek blijkt dat eindgewicht en voederopname doorgaans afnemen wanneer de bezettingsdichtheid stijgt. Voor de voederconversie zijn de resultaten minder eenduidig: in onderzoek van Mertens et. al (2025) daalde de voederconversie bij hogere densiteiten, terwijl andere studies net een vrij stabiele voederconversie of een stijgende voederconversie rapporteerden.
Deze verschillen kunnen te maken hebben met variaties in hokgrootte, stalmanagement, ventilatie, klimaat en andere omgevingsfactoren. Daardoor reageren koppels niet altijd op dezelfde manier bij vergelijkbare dichtheden.
Conclusie: lagere bezettingsdichtheden leiden vanzelfsprekend tot minder geproduceerd vlees per ronde, maar dit gaat niet altijd gepaard met een slechtere voederconversie. Het uiteindelijke effect hangt sterk af van de bedrijfsomstandigheden.
Het aantal wetenschappelijke studies naar emissies in relatie tot bezettingsdichtheid is eerder beperkt, maar de beschikbare literatuur en eigen onderzoek tonen wel een duidelijke tendens. Ammoniakemissies stijgen doorgaans wanneer de bezettingsdichtheid toeneemt. Bij heel hoge dichtheden kan echter een afvlakking optreden doordat zich een korstlaag op het strooisel vormt, die de ammoniakuitstoot tijdelijk kan remmen.
Wanneer emissies worden uitgedrukt per dierplaats of per kilogram geproduceerd vlees, ontstaat vaak een kwadratisch verband: bij lage dichtheden is de uitstoot per dier laag, daarna volgt een piek bij middelhoge dichtheden, waarna de emissie opnieuw kan dalen bij de hoogste bezettingsdichtheden.
Qua gebruik van grondstoffen (water en elektriciteit) wordt vaak meer efficiëntie beschreven per dier bij hogere densiteiten, gezien dit verbruik aan het stalniveau gelinkt is (verwarming, ventilatie, reiniging).
Conclusie: hogere bezettingsdichtheden veroorzaken meestal meer ammoniakuitstoot, maar dit effect kan afvlakken bij zeer hoge dichtheden door korstvorming. Per dier of per kg vlees is er vaak eerst een stijging en daarna weer een daling. De relatie is dus niet rechtlijnig, en de optimale dichtheid hangt af van management en stalcondities.
Een goede bedrijfspresentatie, transparante communicatie en aandacht voor dierenwelzijn en milieu dragen sterk bij aan een positief imago van de pluimveehouder. Bedrijven die inzetten op duurzaamheid merken vaak dat dit hun vertrouwen bij consumenten, omwonenden en afnemers versterkt.
Lagere bezettingsdichtheden hebben bovendien een positief effect op de werkdruk. Omdat er minder dieren per oppervlakte aanwezig zijn is het makkelijker om het strooisel droog en proper te houden, kunnen gezondheidscontroles sneller en efficiënter uitgevoerd worden, is het ventilatiebeheer eenvoudiger en minder intensief, en neemt de kans op problemen zoals ziekten of stressgerelateerd gedrag af, waardoor minder interventies nodig zijn.
Hierdoor kunnen medewerkers hun taken rustiger en systematischer uitvoeren, wat zowel de efficiëntie als de arbeidstevredenheid verhoogt. Lagere dichtheden dragen dus niet alleen bij aan het welzijn van de dieren, maar ook aan een duurzamer en werkbaar management van de stal.
Conclusie: investeren in een positief imago en werkbare arbeidsomstandigheden versterkt de sociale duurzaamheid van het bedrijf en draagt bij aan een toekomstbestendige pluimveehouderij. Verder verlaagt de werkdruk aanzienlijk.
Uitladen (thinning) is het geplande verwijderen van een deel van de kippen uit een stal, één of meerdere keren, waarbij wordt gezorgd dat de maximale bezettingsdichtheid niet wordt overschreden. Uitladen wordt gekenmerkt doordat men de opfok start met extra dieren, zodat de maximale bezettingsdichtheid één of meerdere keren kan worden bereikt voordat de stal volledig wordt leeggehaald.
Bij uitladen vindt normaal gesproken een periode van voederonthouding plaats voorafgaand aan het vangen van de dieren, wat stress bij de kippen veroorzaakt. Bovendien betreedt een vangploeg tijdens het verwijderen de stal, wat leidt tot extra stress voor de toom en meer beweging van de dieren, waardoor het risico op verwondingen toeneemt. Uitladen houdt ook in dat de poorten van de stal worden geopend en heftrucks en vanger de stallen binnenkomen met het bijbehorende risico dat de bioveiligheid in gevaar kan komen (Better Chicken Commitment, 2025).
Natuurlijk gedrag vertonen
Lagere stressniveaus door minder competitie rond voeder- en ligplaatsen
Minder agressie
Minder huidletsels, drukplekken en kreupelheid
Beter ligcomfort en schonere dieren
Te ruime huisvesting kan leiden tot inefficiënt gebruik van stalruimte
Lagere hokdensiteit leidt doorgaans tot hogere dagelijkse groei door verhoogde voederopname, voederconversie blijft stabiel
Minder welzijns- en gezondheidsproblemen kunnen leiden tot lagere diergeneeskundige kosten
Minder uitval en minder tijd nodig voor behandeling van verwondingen.
Hogere investerings- en vaste kosten per dier (stalruimte, verwarming, ventilatie, onderhoud)
Te lage bezettingsgraad is economisch inefficiënt
Minder dieren zorgt voor minder totale mest- en urineproductie
Totale ammoniakemissie en ammoniakemissie per dier kan toenemen
Minder agressie en onrust in de groep maakt varkens rustiger en beter hanteerbaar
Minder tijd en stress voor de boer bij dagelijkse controles
Minder risico op verwondingen voor de boer tijdens hanteren
Verbeterd werkcomfort en veiliger werkklimaat.
Positievere maatschappelijke perceptie rond dierenwelzijn.
Aanpassing van bestaande stallen kan organisatorische en financiële uitdagingen meebrengen.
Varkens hebben ruimte nodig om te rusten, eten, drinken, bewegen, exploreren en contact te hebben met soortgenoten. Wanneer de stal te vol is, ervaren varkens stress, wat hun afweer verlaagt en de kans op ziektes, zoals luchtweginfecties, vergroot. Bovendien neemt agressie toe, vooral rond de voederbak, omdat de sociale hiërarchie moeilijker kan functioneren. Dit kan leiden tot gedragsproblemen zoals oor- en staartbijten, onrust, angst of apathie.
Een lagere dierbezetting geeft varkens meer bewegingsvrijheid en de mogelijkheid om conflicten te vermijden. Dit resulteert in minder agressie, minder huidletsels en een lager risico op staart- en oorbijten. Ook de beweeglijkheid en het ligcomfort verbeteren, waardoor kreupelheid en drukplekken verminderen en de dieren schoner blijven. Minder stress heeft bovendien een positief effect op de groei en voederopname.
Wettelijk gezien moet een varken van 85–110 kg minstens 0,65 m² ruimte hebben. Studies suggereren echter dat ongeveer 0,83 m² per dier gunstiger is voor optimale groei en gezondheid (Tabel 1)
Conclusie: door varkens meer ruimte te geven, verbeter je hun gezondheid, welzijn en prestaties.
| Gemiddeld gewicht (kg) | Vereiste oppervlakte (m²/dier) (KB 15 mei 2003) | Optimale oppervlakte (m²/dier) (onderzoek J. Dewulf et al., 2007) |
|---|---|---|
| < 10 | 0,15 | 0,17 |
| 10-20 | 0,20 | 0,27 |
| 20-30 | 0,30 | 0,35 |
| 30-50 | 0,40 | 0,49 |
| 50-85 | 0,55 | 0,70 |
| 85-110 | 0,65 | 0,83 |
| >110 | 1,00 | - |
Uit verschillende studies blijkt dat een lagere hokdensiteit (meer ruimte per varken) leidt tot een betere dagelijkse groei. Meer ruimte zorgt doorgaans voor een hogere voederopname en dus een hogere groei. De voederconversie verandert daarbij meestal niet. Dit betekent dat varkens niet efficiënter gaan groeien, maar wél meer eten en daardoor sneller groeien.
De positieve effecten van extra ruimte zijn echter niet onbeperkt: na een bepaalde ruimtetoename stagneert de verbetering in groei (Tabel 2).
Omgekeerd geldt dat een te hoge bezettingsgraad leidt tot lagere groeiprestaties en minder voederopname, en bovendien kan bijdragen aan meer staartbijten en oorletsels.
Economisch gezien kan een hogere hokdensiteit wel interessant lijken, omdat de inkomsten per stalplaats stijgen wanneer er meer varkens in dezelfde stal worden gehouden. Toch moeten deze voordelen worden afgewogen tegen mogelijk lagere groei, grotere gewichtsvariatie en de hogere kans op gezondheids- en welzijnsproblemen. Verschillende afzetstrategieën kunnen helpen om de extra gewichtsvariatie bij hogere bezetting op te vangen.
Aan de andere kant is te veel ruimte ook niet gunstig: dit is kostelijk en inefficiënt. Het vraagt meer arbeid voor schoonmaken en brengt hogere vaste kosten, zoals verwarming, ventilatie en onderhoud met zich mee.
Conclusie: De ideale hokdensiteit is een evenwicht tussen goede groei en gezondheid van de varkens enerzijds, en economische rendabiliteit anderzijds. Te druk is nadelig, maar te ruim is ook duur. De optimale bezetting maximaliseert zowel productie als welzijn binnen een economisch haalbaar kader.
| Oppervlakte (m²) per varken van 110 kg | Relatieve reductie (%) van de maximaal bereikbare groei vergeleken met de situatie bij 0.65 m² |
|---|---|
| 0,65 | 100 |
| 0,70 | 87 |
| 0,84 | 57 |
| 0,93 | 43 |
| 1,05 | 30 |
| 1,17 | 21 |
| 1,28 | 15 |
| 1,40 | 11 |
| 1,52 | 7 |
| 1,63 | 5 |
| 1,75 | 4 |
| 1,87 | 3 |
| 1,98 | 2 |
| 2,10 | 1 |
Ammoniakemissie is een belangrijke ecologische uitdaging binnen de varkenshouderij. Onderzoek toont aan dat ammoniakemissies sterk samenhangen met de mate waarin de vloer vervuild is met mest en urine. Hoe groter het bevuilde vloeroppervlak, hoe hoger de ammoniakuitstoot.
Daarnaast blijkt dat veranderingen in bezettingsgraad en stalmanagement een duidelijke invloed hebben op de ammoniakconcentratie in de stal en in de afgezogen lucht. Een lager aantal dieren per ruimte leidt niet automatisch tot lagere emissies, maar kan in sommige gevallen zelfs resulteren in een hogere ammoniakconcentratie en hogere emissies per dier.
Hoewel er momenteel nog relatief weinig wetenschappelijke studies zijn die emissies in detail analyseren, is het BOWIE-project recent opgestart om deze problematiek verder te onderzoeken. Dit project focust op beter inzicht in emissiemechanismen en op praktische oplossingen die bijdragen aan een lagere milieubelasting, een gezonder stalklimaat en een duurzamere varkenshouderij.
Varkens hebben ruimte nodig om elkaar te vermijden en op een natuurlijke manier met elkaar om te gaan. Bij lagere densiteit is er minder competitie om voer, ligplaatsen en beweging, waardoor agressie en stress in de groep afnemen. Dit betekent minder vechtpartijen, minder huidletsels en een lagere kans op gedragsproblemen zoals staart- en oorbijten.
Voor de boer betekent dit minder tijd en moeite om verwondingen te behandelen, minder uitval door ziektes of stressgerelateerde problemen en een rustigere, beter hanteerbare groep varkens. Lagere dichtheid draagt zo niet alleen bij aan het welzijn van de dieren, maar ook aan een efficiënter en veiliger werkklimaat op de boerderij.
Conclusie: Lagere dierbezetting verbetert niet alleen het welzijn van de varkens, maar maakt het werk voor de boer ook makkelijker en veiliger. Het is een win-win voor dieren en ondernemer.
Chirurgische castratie van mannelijke varkens (bargen) wordt vaak toegepast om berengeur te voorkomen en agressief en seksueel gedrag te verminderen. Onderzoek toont aan dat castratie gepaard gaat met duidelijke fysiologische en gedragsmatige reacties die wijzen op pijn, evenals met stress en ongemak vóór en na de ingreep. Deze reacties zijn het sterkst tijdens de castratie en in de eerste uren nadien, maar nemen vervolgens snel af. Niettemin kunnen bepaalde gedragsveranderingen, zoals verminderde beweeglijkheid en sociale interacties, nog meerdere dagen aanhouden.
Immunocastraten vertonen vóór de tweede vaccinatie, net als intacte beren, een verhoogde kans op agressief en seksueel gedrag. Na de tweede vaccinatie verdwijnt dit gedrag en vertonen zij een gedragspatroon dat vergelijkbaar is met dat van bargen. Sommige studies wijzen erop dat er tot enkele dagen na de subcutane injectie een lokale ontstekingsreactie kan optreden, al werd dit effect niet consistent in alle onderzoeken vastgesteld.
Het afmesten van intacte beren draagt bij aan een beter welzijn in de vroege levensfase, aangezien deze dieren niet worden blootgesteld aan de pijn en het ongemak van castratie. In een latere fase kan het welzijn echter negatief beïnvloed worden, doordat intacte beren vaker agressief gedrag en rij- en bestijggedrag vertonen. Hierdoor hebben intacte beren een hoger voorkomen aan schade aan de huid, voornamelijk ter hoogte van de nek en achterkant.
Op economisch vlak bestaan er duidelijke verschillen tussen intacte beren, immunocastraten en bargen, namelijk op vlak van groeiprestaties, voederbenutting en karkaskwaliteit.
Wat betreft de dagelijkse groei presteren intacte beren het best. Zij vertonen de hoogste dagelijkse gewichtstoename, gevolgd door immunocastraten. Bargen hebben doorgaans de laagste dagelijkse groei.
Ook op het vlak van voederconversie scoren intacte beren het gunstigst. Zij hebben de laagste voederconversie, wat inhoudt dat zij efficiënter omgaan met het opgenomen voeder. Immunocastraten nemen een tussenpositie in, terwijl bargen de minst gunstige (hoogste) voederconversie hebben. Aangezien voederkosten een groot deel van de totale productiekosten uitmaken, is een lage voederconversie economisch zeer interessant.
Daarnaast ligt het percentage magervlees doorgaans hoger bij intacte beren dan bij immunocastraten en bargen. Een hoger magervleespercentage kan leiden tot een betere classificatie en potentieel een hogere uitbetaling door het slachthuis.
Wanneer gekeken wordt naar de algemene karkaskwaliteit, scoren bargen vaak beter dan immunocastraten en intacte beren. Dit kan onder andere te maken hebben met vetverdeling, vleeskwaliteit en technologische eigenschappen die belangrijk zijn voor verdere verwerking. Hierdoor kunnen bargen in bepaalde afzetkanalen de voorkeur krijgen.
Algemeen zijn intacte beren economisch het meest interessant door een lagere voederconversie en een hoger percentage magervlees, maar soms worden intacte beren wel afgestraft in het slachthuis, bijvoorbeeld vanwege het risico op berengeur.
Vanuit ecologische duurzaamheidsperspectief heeft het afmesten van intacte beren de laagste milieu-impact, maar blijven praktische uitdagingen zoals berengeur en gedragsproblemen bestaan. Wanneer afmesten van intacte beren niet haalbaar of gewenst is, is immunocastratie het meest aangewezen alternatief voor chirurgische castratie wat betreft ecologische duurzaamheid.
Verschillende studies beschreven een ecologisch voordeel van immunocastraten ten opzichte van bargen, onder meer door de betere voederefficiëntie en hogere groeisnelheden. Een studie van Van den Broeke et al. (2022) toonde aan dat het castreren van biggen gepaard gaat met een lagere nutriëntenefficiëntie en een verminderde milieuduurzaamheid in vergelijking met intacte beren en immunocastraten. Tegelijkertijd bleken de verschillen tussen de afzonderlijke proeven groter dan die tussen de geslachtscategorieën. Dit benadrukt het belang van een optimale afstemming van nutriëntenniveaus en ingrediëntkeuze in het voeder om de milieu-impact van de varkensproductie zo klein mogelijk te houden.
Het project SuSi bevestigt dat immunocastraten een duurzamer ecologisch alternatief vormen dan bargen. Per kilogram geproduceerd varkensvlees, stoten immunocastraten gemiddeld zo’n 15% minder stikstof en 17% minder fosfor uit ten opzichte van bargen. De CO2 uitstoot die gepaard gaat met het produceren van het voeder om 1 kilogram vlees te produceren, vermindert bovendien met 11%. Deze resultaten waren onafhankelijk van het type managementsysteem dat werd gebruikt, het verstrekte voeder of de genetica van de varkens.
Bij het houden van intacte beren is er een verhoogde kans op agressief en seksueel gedrag. Dit gedrag uit zich onder andere in meer vechten en berijden van hokgenoten. Hierdoor neemt de kans op verwondingen bij andere varkens toe, zoals bijtwonden of kreupelheid. Wanneer dieren gewond raken of structureel worden lastiggevallen, moeten zij vaker worden verhokt. Dit verhokken vraagt extra arbeid en organisatie, en kan bovendien extra stress veroorzaken bij de dieren door veranderingen in groepssamenstelling.
Anderzijds brengen verschillende vormen van castratie aanvullende handelingen en arbeid met zich mee. Bij chirurgische castratie van biggen (bargen) moet de ingreep handmatig worden uitgevoerd, wat extra arbeid, planning en zorg vereist. Dit proces vraagt niet alleen tijd, maar ook aandacht voor hygiëne, dierenwelzijn en nazorg. Bij immunocastratie zijn eveneens extra handelingen nodig. Hierbij moeten de dieren namelijk tweemaal gevaccineerd worden, een eerste keer rond 10 à 14 weken leeftijd en een tweede keer 4 à 6 weken voor het slachten. Dit betekent dat elk dier individueel moet worden behandeld op twee verschillende momenten in de mestperiode. Ook dit kost extra arbeid en vraagt een goede planning om ervoor te zorgen dat de vaccinaties op het juiste tijdstip worden toegediend.
Berengeur is een onaangename, fecale en urineachtige geur die kan vrijkomen bij het verhitten van vlees of vet van intacte beren. Om dit te voorkomen worden mannelijke dieren vaak gecastreerd, hetzij chirurgisch (bargen), hetzij via immunocastratie.
Over het algemeen zijn de verschillen in pH en kleur tussen de verschillende geslachten zeer beperkt en van gering praktisch belang. Daarentegen worden wel verschillen waargenomen in waterhoudend vermogen en intramusculair vetgehalte. Het hoogste waterhoudend vermogen wordt vastgesteld bij bargen, gevolgd door immunocastraten, terwijl intacte beren het laagst scoren. Ook het intramusculair vetgehalte is lager bij intacte beren in vergelijking met immunocastraten en bargen.
Deze verschillen in vleeskwaliteitsparameters vertalen zich eveneens in de smakelijkheid van het vlees. Verschillende studies tonen aan dat vlees van intacte beren taaier en droger is dan dat van bargen, waarbij vlees van immunocastraten doorgaans een intermediaire positie inneemt. Volgens sensorische panels wordt het vlees van bargen als het meest smakelijk ervaren, gevolgd door dat van immunocastraten, terwijl het vlees van intacte beren als het minst smakelijk wordt beoordeeld.