In de pluimveehouderij worden verschillende rassen gehouden, elk met hun eigen groeisnelheid en kenmerken. Reguliere rassen (bv Ross 308) groeien snel en bereiken hun slachtgewicht in korte tijd (gemiddeld 5-6 weken). Deze snelgroeiende rassen zijn efficiënt qua productie maar vragen extra aandacht mbt hun gezondheid en welzijn. Door selectie naar snelle groei zijn deze vleeskuikens vatbaarder voor diverse gezondheids- en welzijnsproblemen, met name skeletafwijkingen, darmgezondheidsproblemen en hartaandoeningen. Trager groeiende rassen ontwikkelen zich langzamer, wat vaak resulteert in robuustere dieren met een hogere weerstand tegen bepaalde gezondheidsproblemen.
De trager groeiende kuikens hebben een ander genetisch groeipotentieel waardoor de slachtleeftijd op een latere leeftijd wordt bekomen. Hubbard Redbro kuikens bijvoorbeeld hebben 8 à 9 dagen meer nodig om eenzelfde slachtgewicht te behalen als de reguliere Ross 308 kuikens. Ze hebben hiervoor meer voeder en water nodig en de voederconversie is duidelijk hoger. Trager groeiende kuikens mogen maximaal aan 30 kg/m² zitten.
actievere, beweeglijkere kuikens
minder voetzoollaesies, geen effect op hakken
minder gevoelig voor enterococcen en bij infecties kleiner effect op sterfte
lager antibioticagebruik
drogere en rullere strooisellaag
coccidiose ook aanwezig bij trager groeiende kuikens, maar symptomen minder duidelijk zichtbaar
uitval meestal vergelijkbaar als bij reguliere kuiken
minder (fysieke) arbeidsbelasting voor pluimveehouder
meer stof (goede bescherming noodzakelijk)
hogere voederconversie / voederkost
hogere variabele en vaste kosten omwille van minder kg vlees (kuikens) per m² op jaarbasis
de meerprijs is afhankelijk van afzetmarkt, nood om alle delen (filet, boven- en onderbout) aan meerwaarde te kunnen vermarkten
hogere ammoniak emissie (NH3)
meer stof door drogere stal
hoger voeder- en waterverbruik, hogere voederconversie
hoger energieverbruik voor verwarming
meer grond nodig om voeder voor de kippen te produceren
Trager groeiende kippen scoren duidelijk beter op dierenwelzijn dan reguliere kippen. Ze hebben minder pootproblemen, vertonen meer natuurlijke gedragingen zoals lopen en scharrelen omwille van een tragere groeisnelheid en het gewicht beter in verhouding blijft tot hun skelet en spieren. Hierdoor is ook de uitval lager dan bij reguliere vleeskuikens. Ook hebben ze hierdoor minder last van voetzool- en haklaesies.
Conclusie: Trager groeiende rassen bieden duidelijke voordelen op vlak van dierenwelzijn, mobiliteit en natuurlijk gedrag, wat resulteert in een hogere welzijnskwaliteit.Reguliere en trager groeiende kippen verschillen duidelijk in hun technische prestaties. Trager groeiende kippen hebben een hogere voederconversie, omdat ze meer voer nodig hebben om dezelfde gewichtstoename te realiseren. Zowel de dagelijkse voederopname als de dagelijkse groei liggen bij trager groeiende kippen lager, en ook hun karkasopbrengst is doorgaans iets lager dan bij de reguliere kippen. Aan de andere kant ligt de mortaliteit lager bij trager groeiende kippen.
Wel ligt de scheurkracht bij de reguliere kuikens duidelijk lager dan bij de trager groeiende groepen waaruit men kan besluiten dat het genotype een effect heeft op malsheid en sappigheid (OptiWel-Emis demoproject, 2024).
Conclusie: Reguliere vleeskuikens presteren efficiënter op groei en voederconversie, terwijl trager groeiende kippen voordelen bieden op het vlak van lagere uitval.
Er zijn enkele studies beschikbaar die emissies rechtstreeks vergelijken tussen reguliere en trager groeiende kippen. Deze tonen aan dat ammoniakemissies hoger zijn bij trager groeiende rassen, nog een andere studie toonde een hogere stikstofexcretie aan bij trager groeiende kippen.
Wat duidelijk naar voren komt uit recente levenscyclusanalyses, is dat de klimaatimpact (CO₂-equivalenten) van trager groeiende kippen hoger ligt dan die van reguliere kippen. Dit komt vooral doordat trager groeiende kippen meer voer nodig hebben en langer leven om hetzelfde eindgewicht te bereiken, waardoor de totale emissies per kg vlees toenemen.
Conclusie: de beschikbare gegevens wijzen erop dat trager groeiende kippen een hogere klimaatimpact per kg geproduceerd vlees hebben dan reguliere kippen.
Een goede bedrijfspresentatie, transparante communicatie en aandacht voor dierenwelzijn en milieu dragen sterk bij aan een positief imago van de pluimveehouder. Bedrijven die inzetten op duurzaamheid merken vaak dat dit hun vertrouwen bij consumenten, omwonenden en afnemers versterkt.
Ook de arbeidsbelasting is een belangrijk onderdeel van de sociale duurzaamheid. Het gebruik van trager groeiende rassen brengt langere rondes met zich mee, wat betekent dat de stal langer bezet blijft en het aantal productierondes per jaar daalt. Dit vraagt om zorgvuldige planning, en kan de totale arbeidsduur per ronde verhogen. Tegelijk zorgt het vaak voor rustigere dieren, minder gezondheidsproblemen en minder nood aan ingrepen, wat de dagelijkse werkdruk juist kan verlagen.
Conclusie: investeren in een positief imago en werkbare arbeidsomstandigheden versterkt de sociale duurzaamheid van het bedrijf en draagt bij aan een toekomstbestendige pluimveehouderij.
De bezettingsdichtheid heeft een brede impact op de duurzaamheid van een pluimveebedrijf. Ze beïnvloedt niet alleen de technische prestaties van de dieren, maar ook het dierenwelzijn, de emissies, het energie- en watergebruik en zelfs de arbeidsbelasting. Door de juiste balans te vinden tussen rendement en ruimte, kunnen pluimveehouders zowel de gezondheid van hun dieren verbeteren als hun bedrijfsvoering verduurzamen.
Op deze pagina worden de belangrijkste inzichten weergegeven, zodat bedrijven weloverwogen keuzes kunnen maken in functie van hun eigen situatie en doelstellingen.
Droger strooisel → minder risico op voetzoollaesies
Hogere welzijnsscores (gedrag en comfort)
Meer scharrelgedrag en natuurlijk gedrag (vleugels/poten strekken, lichaamsverzorging, beweging)
Gemakkelijkere toegang tot voer en water
Mogelijk verbeterde immuunrespons (lagere heterofielen/lymfocyten ratio)
Lagere ammoniakconcentraties → minder respiratoire problemen
Positief imago bij consumenten en afnemers
Minder arbeid nodig voor strooisel, gezondheidscontrole en ventilatiebeheer
Hoger dierenwelzijn kan marketingvoordeel opleveren
Hoger eindgewicht
Minder geproduceerd vlees per ronde
Hogere voederopname, voederconversie varieert sterk afhankelijk van hokgrootte, ventilatie, klimaat en management
Lagere ammoniakemissie per stal
Betere luchtkwaliteit
Hogere ammoniakemissie per dier
Minder efficiënt gebruik van water en elektriciteit per stal
Veel studies tonen aan dat lagere bezettingsdichtheden een positieve invloed hebben op het dierenwelzijn. Een duidelijk voorbeeld is de kwaliteit van het strooisel: lagere dichtheden leiden vaker tot minder vochtig strooisel, wat het risico op voetzool- en haklaesies verlaagt.
Ook andere welzijnsindicatoren, zoals een geïntegreerde welzijnsscore (bijv. met testen naar beweeglijkheid en stressniveau), vallen meestal gunstiger uit bij lagere densiteiten. Met andere woorden: kippen scoren vaak beter op gedrag en comfort wanneer ze meer ruimte hebben.
Daarnaast neemt scharrelgedrag toe naarmate de dichtheid afneemt, en wordt de toegang tot voeder en drinkwater makkelijker. Verschillende studies tonen ook meer ruimte voor natuurlijk gedrag zoals vleugels strekken, poten uitstrekken, lichaamsverzorging en algemene beweeglijkheid.
Op vlak van diergezondheid zijn de studies eerder beperkt, wel wordt soms een verhoogde immuunrespons genoemd bij lagere densiteiten. Ook kunnen lagere densiteiten leiden tot verlaagde ammoniakconcentraties in de stal wat respiratoire problemen kan verminderen.
Conclusie: Trager groeiende rassen bieden duidelijke voordelen op vlak van dierenwelzijn, mobiliteit en natuurlijk gedrag, wat resulteert in een hogere welzijnskwaliteit.
Uit onderzoek blijkt dat eindgewicht en voederopname doorgaans afnemen wanneer de bezettingsdichtheid stijgt. Voor de voederconversie zijn de resultaten minder eenduidig: in onderzoek van Mertens et. al (2025) daalde de voederconversie bij hogere densiteiten, terwijl andere studies net een vrij stabiele voederconversie of een stijgende voederconversie rapporteerden.
Deze verschillen kunnen te maken hebben met variaties in hokgrootte, stalmanagement, ventilatie, klimaat en andere omgevingsfactoren. Daardoor reageren koppels niet altijd op dezelfde manier bij vergelijkbare dichtheden.
Conclusie: lagere bezettingsdichtheden leiden vanzelfsprekend tot minder geproduceerd vlees per ronde, maar dit gaat niet altijd gepaard met een slechtere voederconversie. Het uiteindelijke effect hangt sterk af van de bedrijfsomstandigheden.
Het aantal wetenschappelijke studies naar emissies in relatie tot bezettingsdichtheid is eerder beperkt, maar de beschikbare literatuur en eigen onderzoek tonen wel een duidelijke tendens. Ammoniakemissies stijgen doorgaans wanneer de bezettingsdichtheid toeneemt. Bij heel hoge dichtheden kan echter een afvlakking optreden doordat zich een korstlaag op het strooisel vormt, die de ammoniakuitstoot tijdelijk kan remmen.
Wanneer emissies worden uitgedrukt per dierplaats of per kilogram geproduceerd vlees, ontstaat vaak een kwadratisch verband: bij lage dichtheden is de uitstoot per dier laag, daarna volgt een piek bij middelhoge dichtheden, waarna de emissie opnieuw kan dalen bij de hoogste bezettingsdichtheden.
Qua gebruik van grondstoffen (water en elektriciteit) wordt vaak meer efficiëntie beschreven per dier bij hogere densiteiten, gezien dit verbruik aan het stalniveau gelinkt is (verwarming, ventilatie, reiniging).
Conclusie: hogere bezettingsdichtheden veroorzaken meestal meer ammoniakuitstoot, maar dit effect kan afvlakken bij zeer hoge dichtheden door korstvorming. Per dier of per kg vlees is er vaak eerst een stijging en daarna weer een daling. De relatie is dus niet rechtlijnig, en de optimale dichtheid hangt af van management en stalcondities.
Een goede bedrijfspresentatie, transparante communicatie en aandacht voor dierenwelzijn en milieu dragen sterk bij aan een positief imago van de pluimveehouder. Bedrijven die inzetten op duurzaamheid merken vaak dat dit hun vertrouwen bij consumenten, omwonenden en afnemers versterkt.
Lagere bezettingsdichtheden hebben bovendien een positief effect op de werkdruk. Omdat er minder dieren per oppervlakte aanwezig zijn is het makkelijker om het strooisel droog en proper te houden, kunnen gezondheidscontroles sneller en efficiënter uitgevoerd worden, is het ventilatiebeheer eenvoudiger en minder intensief, en neemt de kans op problemen zoals ziekten of stressgerelateerd gedrag af, waardoor minder interventies nodig zijn.
Hierdoor kunnen medewerkers hun taken rustiger en systematischer uitvoeren, wat zowel de efficiëntie als de arbeidstevredenheid verhoogt. Lagere dichtheden dragen dus niet alleen bij aan het welzijn van de dieren, maar ook aan een duurzamer en werkbaar management van de stal.
Conclusie: investeren in een positief imago en werkbare arbeidsomstandigheden versterkt de sociale duurzaamheid van het bedrijf en draagt bij aan een toekomstbestendige pluimveehouderij. Verder verlaagt de werkdruk aanzienlijk.
Uitladen (thinning) is het geplande verwijderen van een deel van de kippen uit een stal, één of meerdere keren, waarbij wordt gezorgd dat de maximale bezettingsdichtheid niet wordt overschreden. Uitladen wordt gekenmerkt doordat men de opfok start met extra dieren, zodat de maximale bezettingsdichtheid één of meerdere keren kan worden bereikt voordat de stal volledig wordt leeggehaald.
Bij uitladen vindt normaal gesproken een periode van voederonthouding plaats voorafgaand aan het vangen van de dieren, wat stress bij de kippen veroorzaakt. Bovendien betreedt een vangploeg tijdens het verwijderen de stal, wat leidt tot extra stress voor de toom en meer beweging van de dieren, waardoor het risico op verwondingen toeneemt. Uitladen houdt ook in dat de poorten van de stal worden geopend en heftrucks en vanger de stallen binnenkomen met het bijbehorende risico dat de bioveiligheid in gevaar kan komen (Better Chicken Commitment, 2025).